1918 Gunning, Kohnstamm, Langeveld - Academische Pedagogiek
Wetenschappelijke onderbouwing van opvoeding, onderwijs en professionele zorg
eerste   vorige   volgende   laatste

In 1918 stelde de Rijksuniversiteit Leiden als eerste Nederlandse universiteit een hoogleraar pedagogiek aan, Rommert Casimir (1877-1957). Zijn bijzondere leerstoel was mogelijk gemaakt door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen om een bijdrage te kunnen leveren aan de academische voorbereiding van aanstaande leraren. Casimir bleef niet lang de enige, al in 1919 aanvaardde Philip Kohnstamm (1875-1951) een soortgelijke betrekking aan de Universiteit van Amsterdam.

Nederland was laat met het aanstellen van hoogleraren. In Duitsland, waar Johann Friedrich Herbart (1776-1841) al in 1805 als hoogleraar pedagogiek was aangesteld, was de pedagogiek al ruim honderd jaar een universitair vak. Dat begin twintigste eeuw de pedagogiek ook in Nederland academisch werd, is niet vreemd. Binnen het voortgezet onderwijs groeide de behoefte aan een wetenschappelijke benadering van het onderwijs en aan het ontwikkelen van didactiek en methodiek. Een vergelijkbare behoefte ontstond binnen het snel groeiende aantal zorgvoorzieningen voor kinderen, zoals scholen voor buitengewoon onderwijs, consultatiebureaus voor zuigelingen, instellingen voor gehandicaptenzorg en de kinderbescherming. Niet toevallig verscheen ook in die tijd het pedagogisch tijdschrift Pedagogische Studiën (1919), waarin veel vooroorlogse hoogleraren pedagogiek regelmatig publiceerden.

In 1921 erkende de overheid in het Academisch Statuut de pedagogiek als bijvak, waardoor het mogelijk werd een doctoraal wijsbegeerte af te leggen met de specialisatie ‘paedagogiek’. Deze erkenning betekende dat ook andere universiteiten hoogleraren pedagogiek moesten aanstellen. In 1923 werd Jan Gunning Wzn. (1859-1951) op die post benoemd in Utrecht. Gunning was geen onbekende, hij werkte al vanaf 1900 als (onbezoldigd) privaatdocent pedagogiek aan de universiteiten van Utrecht en Amsterdam. Ook de beide bijzondere universiteiten bleven niet achter. De Katholieke Universiteit in Nijmegen benoemde Johannes Hoogveld (1878-1942) en de Vrije Universiteit Jan Waterink (1890-1966).

Van deze vijf pedagogen was Kohnstamm met afstand de invloedrijkste. In Persoonlijkheid in wording (1929) betoogde hij dat opvoeding en onderwijs bedoeld zijn de wording van een kind tot persoon tot stand te brengen. Zowel Kohnstamm als het merendeel van zijn collega-pedagogen was ervan overtuigd dat pedagogiek was gebaseerd op fundamentele levensbeschouwelijke waarden. Niet voor niets viel de pedagogiek naar Duits voorbeeld aanvankelijk onder de wijsbegeerte; zij was normatief van aard en levensbeschouwelijk gekleurd. De theoretische, wijsgerige pedagogiek van voor de oorlog draaide om de doordenking van het doel van de opvoeding. Elke zuil verwoordde het doel van opvoeding op eigen wijze, wat niet alleen zichtbaar werd in de colleges van de verschillende hoogleraren, maar ook in de specifieke vormgeving van de opvoeding en van het (bijzonder) onderwijs.

Na de oorlog nam Martinus Langeveld (1905-1989) de rol van meest toonaangevende pedagoog over. Langeveld, in 1946 in Utrecht benoemd tot gewoon hoogleraar in de pedagogiek, was er eveneens van overtuigd dat de pedagogiek normatief en handelingsgericht hoorde te zijn. Wel zette hij zich af tegen een levensbeschouwelijk gekleurde normatieve pedagogiek, omdat hij vond dat de mens moest worden opgevoed tot ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’.

In 1949 werd het kandidaatsexamen ingesteld, waarmee de pedagogiek van een bijvak uitgroeide tot een eigen, zelfstandige opleiding. Het aantal studenten steeg snel, niet in de laatste plaats doordat de zorg voor het (afwijkende) kind bleef groeien. Hierdoor nam ook het aantal specialismen met eigen leerstoelen toe, zoals op het terrein van de orthopedagogiek, waar men zich binnen deelspecialismen boog over gezin en gedrag, over leren en leerproblemen en over ontwikkelingspsychologie. Andere pedagogische specialismen die een eigen terrein claimden, waren de schoolpedagogiek, de sociale pedagogiek, de historische en theoretische pedagogiek, de andragogiek en de onderwijskunde.

Door het succes van verschillende specialismen vond een omwenteling plaats van waardengeladen pedagogiek naar een op empirie gestoelde opvoedkunde waarin men zich bezig ging houden met vragen als ‘hoe ontwikkelen kinderen zich?’ en ‘wat heeft een kind met dyslexie nodig om te leren lezen?’. Dergelijk onderzoek hielp handvatten te construeren waarmee professionals zorg konden verlenen en leidde tot een inhoudelijke verzelfstandiging van pedagogische subdisciplines, waardoor het aloude gedeelde theoretisch kader langzaam maar zeker uit beeld verdween.

Elk deelspecialisme kent tegenwoordig zijn eigen toonaangevende hoogleraren. In dit rijtje horen zeker Micha de Winter (maatschappelijke opvoedingsvraagstukken), Gert Biesta (philosophy of education) en Rien van IJzendoorn (gezinspedagogiek) thuis, naast tal van anderen.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijzigingen: 20 april 2012.
Auteur: Fedor de Beer

Auteur(s): Fedor de Beer,
Verwante vensters
Extra

Pedagogiek in de negentiende eeuw
Het is lastig te bepalen wanneer met recht over academische pedagogiek in Nederland kan worden gesproken. Al in 1827 was pedagogiek in het universitaire curriculum opgenomen om te voorzien in de behoefte aan pedagogische en didactische scholing met het oog op het zich langzaam uitbreidende middelbare onderwijs. De Utrechtse classicus Karsten had van 1827 tot 1860 als leeropdracht: Grieks, Pedagogiek, Griekse Oudheden, Oude geschiedenis en Oude filosofie. Omdat het vak weinig populair was – hoe les te geven, konden studenten beter leren van de hoogleraren in de desbetreffende vakdisciplines – verdween pedagogiek na de Wet op het hoger onderwijs (1878) van het universitaire toneel. In 1900 werd een nieuwe start gemaakt, toen in Utrecht J.H. Gunning als onbezoldigd privaatdocent colleges pedagogiek ging geven. Achttien jaar later verscheen de eerste ‘echte’ hoogleraar pedagogiek op het toneel.

Verder studeren
  • Bakker, N., Noordman, J. & Rietveld - van Wingerden, M. (2010), Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk 1500-2000. Assen: Van Gorcum, hoofdstuk 3 "Reform en academische wetenschap'.
  • Kroon, T. en Levering, B. (2008), Grote pedagogen in klein bestek. Amsterdam: SWP. De hoofdstukken over Kohnstamm (pp. 141-145), Waterink (pp. 177-181), Langeveld (pp. 215-220).
Literatuur
  • Hilvoorde, I. van (2002), Grenswachters van de pedagogiek. Demarcatie en disciplinevorming in de ontwikkeling van de Nederlandse academische pedagogiek (1900-1970). Amsterdam: HB Uitgevers.
  • Rispens, J. (2005), "De geschiedenis van de pedagogiek en de onderwijskunde', in W. Koops, H. van Rinsum & J. van Teunenbroek (red.), De sociale wetenschappen in Utrecht. Een geschiedenis. Hilversum: Verloren, pp. 127-192.
  • Mulder, E. (1989), Beginsel en beroep. Pedagogiek aan de universiteit in Nederland 1900-1940. Amsterdam: Historisch seminarium.
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
Bewegende beelden



November 2011 | Interview met Mischa de Winter tijdens de Week van de opvoeding. Het thema is Opvoeden doen we samen.



Augustus 2010 | Voorlichtingsfimpje Pedagogische wetenschappen - Rijksuniversiteit Groningen



November 2011 | In de bacheloropleiding Pedagogiek leer je hoe je kinderen en volwassenen helpt bij hun ontwikkeling en het oplossen van hun problemen.

eerste   vorige   volgende   laatste