567 Concilie van Tours
Van armentafels tot voedselbank
    volgende   laatste

Sociaal werk is van alle tijden. Sinds mensenheugenis zijn er richtlijnen en voorschriften – meestal godsdienstig geïnspireerd – om hulp te bieden aan mensen die ziek, arm of op een andere manier in nood zijn. Dat hoort bij mensen, het is inherent aan de ontwikkeling van de menselijke beschaving. Maar het is ook niet louter een vorm van edelmoedigheid. Integendeel, om gemeenschappen te beschermen tegen landloperij, diefstal en bedelarij werden er al in de vroege middeleeuwen regels opgesteld. Het is zoals Abram de Swaan in zijn monumentale studie Zorg en de Staat heeft beschreven, ook een vorm van ‘welbegrepen eigenbelang’.

Een eerste mijlpaal was het Concilie van Tours in 567, uitgevaardigd onder Paus Johannes III, waarin werd voorgeschreven dat elke lokale gemeenschap de eigen armen en behoeftigen moest voeden. Criteria om voor hulp in aanmerking te komen waren: ongeschiktheid (onvermogen om zelf in het levensonderhoud te voorzien), nabijheid (in verblijfplaats en verwantschap, om hulpzwerven te voorkomen) en meegaandheid (fatsoenlijk en niet ordeverstorend). Kort gezegd zou je de verdere geschiedenis van het sociaal werk als een onophoudelijke variatie op deze thema’s kunnen beschouwen.
Vanaf de 13de eeuw kreeg deze zorg de vorm van armentafels, gemene aalmoes of Heilige Geesttafels. Deze aanduidingen zijn afgeleid van de plaats waar de bedeling van brood en kleding gebeurde, meestal achteraan in de kerk, op een tafel. De kerken kregen dit van rijkere burgers, die geloofden dat ‘geven aan de armen, geven aan God’ was.
Voor het gebied dat nu Nederland en Vlaanderen is, werd die lokale verantwoordelijkheid (die veelal door kloosters werd verzorgd) door de burgerlijke overheid (voornamelijk stadsbestuurders: de regenten) overgenomen in het edict van Karel V in 1531. Het edict is strenger (bedelen wordt moeilijker), maar ook preventiever. In deze verordening klinkt al het idee door dat armoede ook voorkomen kan worden door betere zorg en onderwijs aan kinderen. Steden moeten een ‘gemene beurs’ instellen – een stedelijk armenfonds, dat de zorg voor armen op zich neemt en dat beheerd wordt door de notabelen van de stad. In de zuidelijke Nederlanden bleef deze ‘vroege sociale wetgeving’ twee-en-een-halve eeuw van kracht. De Noordelijke Nederlanden volgden pas later, ten tijde van de 80-jarige oorlog. Het edict van Karel V vormt in feite een eerste grondwet van de ‘armenzorg’.
De basis daarvan was de charitas: de rijken geven aan de armen. Tot op het einde van de 19de eeuw kennen Nederland en Vlaanderen het gebruik dat rijkere burgers bij speciale gelegenheden (kerkelijke feestdagen, overlijden, huwelijk) giften in natura doen aan armen uit de lokale gemeenschap. In de moderne tijd is deze vorm van ‘herverdeling’ steeds meer overgenomen door de overheid en het belastingssysteem (zorgtoeslag, huurtoeslag). Toch zijn de sporen van de oude armentafels nog steeds te vinden. Zo wordt nog elk jaar op Goede Vrijdag te Antwerpen de Pelgrimstafel gedekt in het Sint-Julianusgasthuis in de Hoogstraat. Hieraan mogen twaalf eerzame maar arme mensen aanzitten. Met Kerstmis zijn er in nogal wat grote steden kerken waar daklozen op een geurige kerstmaaltijd worden getrakteerd. En wat te denken van de voedselbanken?

Publicatiedatum: 01-01-2009
Datum laatste wijziging :01-06-2013
Auteur(s): Jan Steyaert,
Verder studeren
  • Maarten van der Linde (2010), Basisboek Geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam: SWP, vierde druk. Hoofdstuk 1 en 2.
  • Externe link Abram de Swaan (1989), Zorg en de staat. Hoofdstuk 2.
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
    volgende   laatste